Op gezag van ‘Oeqbah ibn ‘Amir (moge Allah tevreden
met hem zijn), die zei:
“Ik hoorde de Boodschapper van Allah (moge hij de zegeningen en vrede
van Allah krijgen) zeggen:
Jullie Heer is verheugd over de schaapherder, die bovenop een rots,
de oproep tot het gebed [adzaan]
doet en bidt. Dan zegt Allah (de Verheerlijkte en de Verhevene): ”Kijk
naar deze dienaar van Mij, hij doet de oproep tot het gebed op en bidt: hij
heeft ontzag voor Mij. Ik heb Mijn dienaar(zijn zonden) vergeven en
hem tot het paradijs toegelaten.”
Dit is overgeleverd door an-Nasa'i
met een goede keten van
overleveraars.