Aboe-Hamzah Anas Ibn Mâlik, de bediende van de Boodschapper van
Allah (salallahu ‘alaihi wa salam) overlevert
dat de Profeet (salallahu ‘alaihi wa salam) zei:
"Niemand van jullie gelooft (waarlijk) totdat
hij voor zijn broeder wenst wat hij voor
zichzelf wenst." (Al-Bucharie & Muslim)
De moslims zijn door Allah (subhaana
huwa ta’aala) uitgeroepen tot broeders in het
geloof. En eenieder dient te weten dat alle
overige banden ondergeschikt zijn aan de band
die een moslim met zijn broeder heeft, zelfs de
familiebanden. Allah (subhaana huwa ta’aala)
zegt:
"Slechts de gelovigen zijn broeders van elkaar." (Soerah Al-Hoedjoerâ
aya 10)
"En dankzij Zijn gunst werden jullie broeders (van elkaar)." (Soerah
Âli-'Imrân 3 aya 130)
Dit laatste vers is geopenbaard om de
Aws en Khazradj (twee stammen die woonachtig
waren in Medinah) aan hun situatie te herinneren
voor de komst van de Islaam. Zij waren namelijk
met elkaar in oorlogen verwikkeld en ze konden
elkaars bloed wel opdrinken. Het was de Islaam
die hen wist te verenigen en de haat en nijd
omzette in liefde en saamhorigheid. De Islaam
leerde hen dat de moslims onderling één geheel
moesten vormen, de Profeet (salallahu ‘alaihi
wa salam) zei:
"De moslims zijn wat
betreft de liefde, genade en mededogen (die zij
voor elkaar hebben) als één lichaam. Wanneer een
deel ervan lijdt (aan ziekte), dan lijdt het
gehele lichaam mee in de vorm van koorts en
slapeloosheid..."
Ook leerde de Islaam hen om voor hun
broeders datgene te wensen wat zij voor zichzelf
wensen en dat het afgelopen moest zijn met de
zelfingenomenheid die gebaseerd was op zaken
zoals het eren van de voorvaderen en plaats van
afkomst. Zij zouden nu samen moeten gaan werken
om het goede te verkondigen en het slechte af te
raden. Allah (subhaana huwa ta’aala) zegt:
"Helpt elkander in het verrichten van het goede en godsvrucht. En
helpt elkander niet in het verrichten van de
zonde en agressie." (Soerah Al-Mâ'idah 5 aya 2)
De Islaam zorgde ervoor dat hun
harten gereinigd werden en dat hun slechte
karaktereigenschappen plaats maakten voor nobele
eigenschappen zoals oprechtheid en
rechtvaardigheid. Hun leven stond alleen nog in
het teken van de geboden en verboden van Allah,
de Verhevene. Daarnaast leerden zij om een
afkeer te hebben van 'Shirk' (veelgodendienst)
en zijn mensen. Al waren het hun eigen ouders en
naaste familie. Dit omdat Allah (subhaana huwa
ta’aala) zegt:
"O, jullie die geloven! Neemt jullie vaders en jullie broers niet
als Awliyâ' (helpers en geliefden) als zij Koefr
(ongeloof) boven Imân (het geloof) verkiezen..."
(Soerah At-Tawbah aya 23)
En het werd hen verboden iemand te
gehoorzamen als dit leidt tot ongehoorzaamheid
aan Allah (subhaana huwa ta’aala) . De Profeet
(salallahu ‘alaihi wa salam) zegt:
"Het mag niet zo
zijn dat (een persoon) een schepsel (van Allah)
in iets gehoorzaamt waardoor hij Allah
ongehoorzaam is."
Door zich aan de voorschriften van
Allah (subhaana huwa ta’aala) te houden,
verdienden zij het om de beste Oemmah (gemeenschap)
te zijn. Allah (subhaana huwa ta’aala) zegt:
"Jullie zijn de beste gemeenschap die ooit is voortgebracht voor
de mensen, opdat jullie het goede verkondigen en
het slechte afraden en in Allah geloven." (Soerah
Âli-'Imrân 3 aya 110)