Home
AlgemeenVoor MoslimsVoor Niet-MoslimsVerhalen met een MoraalBekeringsverhalenDe VrouwVraag & AntwoordMediatheekAgendaContact

 

Klik hier  om een printbare
versie te krijgen

 

Aboe-Hamzah Anas Ibn Mâlik, de bediende van de Boodschapper van Allah (salallahu ‘alaihi wa salam) overlevert dat de Profeet (salallahu ‘alaihi wa salam) zei: "Niemand van jullie gelooft (waarlijk) totdat hij voor zijn broeder wenst wat hij voor zichzelf wenst." (Al-Bucharie & Muslim)

De moslims zijn door Allah (subhaana huwa ta’aala)  uitgeroepen tot broeders in het geloof. En eenieder dient te weten dat alle overige banden ondergeschikt zijn aan de band die een moslim met zijn broeder heeft, zelfs de familiebanden. Allah (subhaana huwa ta’aala) zegt:

"Slechts de gelovigen zijn broeders van elkaar." (Soerah Al-Hoedjoerâ aya 10)

"En dankzij Zijn gunst werden jullie broeders (van elkaar)." (Soerah Âli-'Imrân 3 aya 130)

Dit laatste vers is geopenbaard om de Aws en Khazradj (twee stammen die woonachtig waren in Medinah) aan hun situatie te herinneren voor de komst van de Islaam. Zij waren namelijk met elkaar in oorlogen verwikkeld en ze konden elkaars bloed wel opdrinken. Het was de Islaam die hen wist te verenigen en de haat en nijd omzette in liefde en saamhorigheid. De Islaam leerde hen dat de moslims onderling één geheel moesten vormen, de Profeet (salallahu ‘alaihi wa salam) zei: "De moslims zijn wat betreft de liefde, genade en mededogen (die zij voor elkaar hebben) als één lichaam. Wanneer een deel ervan lijdt (aan ziekte), dan lijdt het gehele lichaam mee in de vorm van koorts en slapeloosheid..."

Ook leerde de Islaam hen om voor hun broeders datgene te wensen wat zij voor zichzelf wensen en dat het afgelopen moest zijn met de zelfingenomenheid die gebaseerd was op zaken zoals het eren van de voorvaderen en plaats van afkomst. Zij zouden nu samen moeten gaan werken om het goede te verkondigen en het slechte af te raden. Allah (subhaana huwa ta’aala) zegt:

"Helpt elkander in het verrichten van het goede en godsvrucht. En helpt elkander niet in het verrichten van de zonde en agressie." (Soerah Al-Mâ'idah 5 aya 2)

De Islaam zorgde ervoor dat hun harten gereinigd werden en dat hun slechte karaktereigenschappen plaats maakten voor nobele eigenschappen zoals oprechtheid en rechtvaardigheid. Hun leven stond alleen nog in het teken van de geboden en verboden van Allah, de Verhevene. Daarnaast leerden zij om een afkeer te hebben van 'Shirk' (veelgodendienst) en zijn mensen. Al waren het hun eigen ouders en naaste familie. Dit omdat Allah (subhaana huwa ta’aala) zegt:

"O, jullie die geloven! Neemt jullie vaders en jullie broers niet als Awliyâ' (helpers en geliefden) als zij Koefr (ongeloof) boven Imân (het geloof) verkiezen..." (Soerah At-Tawbah aya 23)

En het werd hen verboden iemand te gehoorzamen als dit leidt tot ongehoorzaamheid aan Allah (subhaana huwa ta’aala) . De Profeet (salallahu ‘alaihi wa salam) zegt: "Het mag niet zo zijn dat (een persoon) een schepsel (van Allah) in iets gehoorzaamt waardoor hij Allah ongehoorzaam is."

Door zich aan de voorschriften van Allah (subhaana huwa ta’aala)  te houden, verdienden zij het om de beste Oemmah (gemeenschap) te zijn. Allah (subhaana huwa ta’aala) zegt:

"Jullie zijn de beste gemeenschap die ooit is voortgebracht voor de mensen, opdat jullie het goede verkondigen en het slechte afraden en in Allah geloven." (Soerah Âli-'Imrân 3 aya 110)

Volgende

Abu Huraira, moge Allah met hem tevreden zijn, heeft overgeleverd
dat een zwarte man of vrouw,
die de moskee veegde, overleden
was. De Profeet, Allah's zegen en
vrede zij met hem, had naar hem gevraagd. Zij vertelden hem dat hij
was overleden. Toen zei hij:
"Hadden jullie dat maar eerder aan
mij verteld. Kunnen jullie zijn graf
aanwijzen?". Hij kwam bij zijn of haar
graf en verrichtte een gebed.

(De uiteindelijke overlevering door Boekhaarie en Moesliem)
 

No Copyright (C) Al-Ummah.nl