Het streven naar perfectie in de da’wah (deel
3)
De methodologie van da’wah
De benadering
De manier van preken en onderwijzen met
betrekking tot da’wah is geen gemakkelijke
opdracht. Het vereist niet alleen een volledige
inzet en een Godvrezend karakter, maar ook een
aansporende, uitgebreide en systematische aanpak
die is gebaseerd op de Qor-aan en de Soennah.
Zonder zo’n dergelijke benadering is het succes
van het uitnodigen naar de Islaam een ver
verwijderde mogelijkheid.
Redeneren met waarheid
Het eerste principe in het correct benaderen, is
dat de daa’ieyah zijn bronnen van redevoering en
conclusies beperkt tot het Boek van Allah de
Almachtige en de Soennah van Zijn boodschapper (vrede
en zegeningen zij met hem). Alle mythes,
verdenkingen, bijgeloof en onwaarheden zijn
afgewezen ‘bronnen’in de Islaam, want de
waarheid kan alleen onderhouden worden met de
waarheid. De profeet (vrede en zegeningen zij
met hem) heeft ons gewaarschuwd: “Hij die
expres een leugen over mij vertelt, zal zijn
verblijfplaats in het Hellevuur vinden.“
De waarheid heeft genoeg echte bewijzen om die
overeind te houden. Zelfs als de geadresseerde
het accepteert te geloven in valse bewijzen,
heeft degene die het heeft overgebracht een
grote misdaad begaan in de Islaam. Bovendien,
redeneren met onwaarheden verzwakt de waarheid
die degene zegt te ondersteunen. Zulke bronnen
van onwaarheden bevatten ook de
‘kashf-dimensie’in het soefisme, zelfverzonnen
ahadieth, irrationele of ongegronde ideeën om
leerstellige concepten en de Bijbel te bewijzen
(tenzij de omstandigheden dit rechtvaardigen).
Allah de Alwijze zegt: “Wie zijn dan
onrechtvaardiger dan degenen die een leugen over
Allah hebben verzonnen en die Zijn Verzen
geloochend hebben? Zij zijn degenen die door hun
aandeel in het Boek (Lawh’oel mah’foedh)
getroffen worden, totdat wanneer Onze gezanten
(de Engelen) tot hen komen die hen wegnemen. Zij
zeiden: “Waar is hetgeen dat jullie plachten te
aanbidden naast Allah?” Zij zeiden:”Zij zijn van
ons weggegaan,”en zij getuigden over zichzelf
dat zij ongelovigen waren.”
Progressieve en geleidelijke kennisgeving
Een ander belangrijk principe en de benadering
van de daa’ieyah is gebruik maken van
progressieve en geleidelijke ontwikkeling in het
preken. Te beginnen met de fundamenten (aqidah=geloofsleer),
gevolgd door zijn belangrijkste takken en
leringen, algemene morele voorschriften en
belangrijke regels met betrekking tot aanbidding.
Dit was de Soennah van de profeten (vrede zij
met hen) tot het uitnodigen van mensen tot de
Islaam. Toen Moe’aadh (moge Allah tevreden met
hem zijn) naar Jemen werd gestuurd, kreeg hij de
instructie van de profeet (vrede en zegeningen
zij met hem)om als eerste de mensen op te roepen
tot de geloofsgetuigenis (shahaada). Als ze hem
gehoorzaamden, moest hij hen uitleggen dat Allah
dagelijks de 5 gebeden voorgeschreven heeft, en
als ze hem gehoorzaamden, de verplichting van
liefdadigheid (zakaat), en zo verder.
De succesvolle daa’ieyah erkent dat zijn rol
niet alleen bestaat uit het overbrengen van de
boodschap, maar zich verlengt tot de grenzen van
continue Tarbiyah
en het opleiden van jonge, enthousiaste
generaties gelovigen. Deze rol is cruciaal in de
niet-islamitsche omgeving, waar veel onwetende
moslims zijn opgegroeid met een oppervlakkige
waarneming van de Islaam, of een geringe emotie
voor deze religie, die concurreren om
blindelings leiding te geven aan
moslimorganisaties, alleen om roem of een
reputatie te vergaren, leiden tot diepe
verdeeldheid en anti-islamitische gebruiken in
de gemeenschap. De daa’ieyah moet de zaadjes van
goedheid planten in de harten van de moslimjeugd
en dan beloven om ze constant progressief op te
voeden volgens de wetten van Allah de Almachtige,
overeenkomstig de beschrijving van de
metgezellen van de profeet in de Indjiel. Allah
de Verhevene zegt: “…En hun beschrijving in
de Indjiel is als een jonge plant waarvan de
loten ontspruiten, waardoor hij sterker wordt.
Daarna wordt hij steviger en staat hij recht op
zijn wortel. Bij de planters veroorzaakt hij
blijdschap. Hij (Allah) wil daarmee de
ongelovigen woedend maken…”